Samenwerkingsverband (SWV)

Scholen gaan samenwerken in regionaal ingedeelde en door de mnister bepaalde samenwerkingsverbanden. Er komen ongeveer 150 samenwerkingsverbanden, 75 voor het primair en 76 voor het voortgezet onderwijs. Samenwerkingsverbanden worden een privaatrechtelijk rechtspersoon zonder winstoogmerk (stichting, vereniging, cooperatie) en statutair vastgelegd. In het samenwerkingsverband maken de scholen onder meer afspraken over welke begeleiding in de reguliere scholen kan worden geboden, welke kinderen geplaatst kunnen worden in het (voortgezet) speciaal onderwijs en over de verdeling van de ondersteuningsmiddelen. 

Het samenwerkingsverband krijgt de beschikking over de middelen voor de lichte en zware ondersteuning in het onderwijs. Per leerling ontvangt het samenwerkingsverband een landelijk vastgesteld budget. Samenwerkingsverbanden kunnen de middelen inzetten op een manier die aansluit bij de eigen situatie. Een deel van de middelen gaat naar het speciaal onderwijs (SO) op basis van het aantal kinderen dat vanuit het samenwerkingsverband wordt geplaatst in het SO. Voor de inzet van de middelen voor extra ondersteuning (op de reguliere basisscholen als ook op het speciaal basisonderwijs) stellen de besturen van de samenwerkingsverbanden een ondersteuningsplan op. Ouders en leraren mogen hierover meebeslissen via een aparte ondersteuningsplanraad van het samenwerkingsverband.
Het samenwerkingsverband is ervoor verantwoordelijk dat alle leerlingen in de regio een passend onderwijsaanbod krijgen. Cluster 1 en 2 scholen vallen niet binnen een samenwerkingsverband maar worden (of zijn al) landelijk georganiseerde instellingen. De indeling samenwerkingsverbanden staat op www.passendonderwijs.nl.